De NTTO voert voor 2010 voor de S-divisie slechts een tweetal kleine wijzigingen door in het reglement.
Voor de standaardklassen gaat een nieuwe regel gelden, namelijk: "De NTTO heeft het recht om tijdens de wedstrijd op de brandstofpomp van de tractor zogenaamde zegellak te bevestigen, waarna het niet meer toegestaan is dat de deelnemer de brandstofpomp verstelt vóór de controle van het vermogen." De andere wijziging is voor de sport- en supersportklassen. Hier moet komend jaar het sleepoog dat aan de voorkant van de tractor gemonteerd zit voldoende sterk zijn om de machine aan te kunnen tillen.
De NTTO heeft daarnaast nieuwe limieten voor de S-divisie vastgesteld. Deze nieuwe limieten gaan in vanaf 1 januari 2011.
Standaardklassen:
- De vermogenslimiet in de huidige standaardklasse tot 5500 kg wordt verlaagd naar 140 pk.
- Er komt een standaardklasse tot 7000 kg met een vermogenslimiet van 165 pk.
- Er komt een standaardklasse tot 9000 kg met een vermogenslimiet van 220 pk.
- Er komt een standaardklasse tot 11000 kg met een vermogenslimiet van 400 pk.
De huidige standaardklassen tot 7500 kg en 10.000 kg komen in 2011 dus te vervallen.
Supersportklassen:
- Er komt een supersportklasse tot 3400 kg voor viercilinders met maximale motorinhoud van 5500 cm3
- De huidige supersportklasse tot 3500 kg wordt veranderd in een supersportklasse tot 3600 kg
In 2011 zal dan de huidige sportklasse tot 3500 kg niet meer aangeboden worden als competitieklasse, maar daarvoor in plaats de supersportklasse tot 3400 kg.
In 2011 zal daarnaast nog een aantal veiligheidsregels worden ingevoerd in alle supersportklassen:
18. De tractor moet zijn uitgevoerd met:
a. Veiligheidsframe van staal uit één stuk (niet deelbaar). Deze dient gemonteerd te worden met ten minste vier (4) bouten aan het achterashuis en voor het vliegwielhuis aan het hoofdframe of motorblok met ten minste drie M14 8.8 bouten (zie figuur 21).
of
b. Een totaalframe uit één stuk (niet deelbaar), dat loopt vanaf de voorzijde van de tractor tot aan de bevestigingsgaten op het achterashuis.
of
c. Een deelbaar frame onder de volgende voorwaarden:
- De deelbare frameconstructie dient van staal te zijn en loopt vanaf de voorzijde van de tractor tot aan de
bevestigingsgaten van de achteras.
- De twee delen dienen in elkaar te passen (volgens een schuifconstructie) ter plaatse waar de tractor kan worden
gedeeld (ter plaatse van de koppeling).
- De beide delen dienen gemaakt te zijn van buizen of U-vormig staal met een wanddikte van minimaal 3 mm.
- Als het frame gemaakt is van U-vormig staal, dan dient er aan de binnenzijde een U-vormige verbinding te zijn
van minimaal 500 mm lengte (250 mm in het achterste deel en 250 mm in het voorste deel van het U-vormige
deelbare frame).
- Als het frame gemaakt is van buizen, dan dient er een binnenbuis te zijn met een minimale lengte van 500 mm
(250 mm in het achterste deel en 250 mm in het voorste deel van het buizenframe).
- Het achterdeel van het frame dient gemonteerd te worden met ten minste vier (4) bouten aan het achterashuis.
Het achterdeel van het frame dient aan de voorzijde ter plaatse van het vliegwiel met minimaal drie (3), 14 mm
8.8 bouten aan de zijkant van het motorblok of motorplaat gemonteerd te worden.
- De twee delen van het frame moeten met ten minste 2 stalen bouten van 8 mm geborgd worden.
19. Het veiligheidsframe, totaalframe of deelbare frame dient zo sterk te zijn dat dit het gewicht van de tractor kan dragen wanneer de bouten van de verbinding motorblok/vliegwielhuis zijn verwijderd.
20. De tractor moet aan beide zijden voorzien zijn van motorafscherming. De afscherming dient de gehele lengte van het motorblok te beslaan en dient stevig gemonteerd te zijn. De afscherming dient gemaakt te zijn van staal of aluminium met een minimale dikte van 2 mm. Motorsteunen, filters, stuurassen en dergelijke kunnen geen deel uitmaken van de afscherming. Degelijke chassisbalken zonder gaten kunnen deel uitmaken van – dan wel dienen als – afscherming, indien ze de vereiste delen van het motorblok afschermen. Het is aan te bevelen de afscherming met snelsluitingen te monteren, waardoor een sneller handelen bij brand en/of andere storingen mogelijk is. Het gebruik van bouten en moeren wordt afgeraden.
21. De afscherming voor V- en Y-type motoren moet zijn bevestigd vanaf de bovenkant van de cilinderbank tot 50 mm beneden het laagste punt van de krukas. De afscherming dient stevig gemonteerd te zijn.
22. De motorafscherming dient onafhankelijk van het motorblok te worden gemonteerd. Het is wel toegestaan de afscherming te monteren aan het chassis, de motorsteun, de uitlaatbevestiging of de motorplaat van de koppelingsafscherming.
23. Koelventilatoren moeten rondom zijn afgeschermd met minimaal 2 mm dik staal.
24. Alle andere draaiende motordelen dienen over 360 graden te worden afgeschermd met minimaal 2 mm dik staal.
(de nummers corresponderen met het regelnummer in het reglementenboek)